Het morele argument

Het morele argument – Overzicht
Het morele argument voor het bestaan van God wijst op de bewering dat God nodig is voor een coherent ontologisch fundament voor het bestaan van objectieve morele waarden en verplichtingen. Het argument kan worden samengevat met het volgende syllogisme:

Premisse 1: Als God niet bestaat, dan bestaan er geen objectieve morele waarden en verplichtingen.
Premisse 2: Objectieve morele waarden en verplichtingen bestaan.
Conclusie: Daarom bestaat God.

Omdat dit in logische zin een geldig syllogisme is, moet de atheïst op zijn minst één van de twee premissen afwijzen om zijn ongeloof in God te kunnen behouden. Met “objectieve” moraliteit bedoelen we een ethisch systeem dat universeel van toepassing is, ongeacht voorkeuren of meningen van mensen. Voorbeeld: de holocaust was moreel verkeerd ongeacht wat Hitler en de Nazi's ervan dachten en het zou net zo moreel verkeerd zijn gebleven zelfs als de Nazi's de Tweede Wereldoorlog zouden hebben gewonnen en alle andere mensen zouden hebben gedwongen om zich te schikken naar hun waarden. Deze kijk, die in de filosofie “moreel realisme” wordt genoemd, staat haaks op het “moreel relativisme” dat stelt dat niemand objectief gelijk of ongelijk heeft wat betreft morele waarden en waardeoordelen.

De meeste mensen willen premisse 2 van het morele argument graag overeind houden. Immers, als er geen objectieve ethiek zou bestaan, wie zou dan ooit kunnen zeggen dat Hitler op een objectieve manier moreel fout was? Mensen hebben een intuïtief besef van wat goed en fout is. Het morele argument vereist slechts dat er op zijn minst enkele handelingen zijn die objectief goed of fout zijn (voorbeeld: het martelen van kinderen voor genot is objectief moreel fout). Premisse 1 heeft te maken met de perfecte standaard waartegen alle andere dingen worden afgemeten. God, het enige moreel perfecte wezen, is de standaard waartegen alle andere dingen worden afgezet. Maar, zonder het theïsme aan te nemen is nog nooit iemand in staat geweest om een verdedigbaar fundament te definiëren voor morele waarden.

Het morele argument – Een belangrijk onderscheid
Het is belangrijk in gedachten te houden dat het morele argument betrekking heeft op de uiteindelijke bron van objectieve morele waarden en verplichtingen (morele ontologie) en niet hoe wij kunnen weten wat moreel of immoreel is (morele epistemologie) en niet 'wat wij bedoelen' met goed/fout of juist/verkeerd (morele semantiek). De theïstische ethicus stelt dat morele waarden geworteld zijn in het karakter en de aard van God.

Zogenaamde “Goddelijke geboden theoretici” stellen dat morele verplichtingen gebaseerd zijn op wat God ons gebiedt. Filosoof William Lane Craig1 verwoordt het als volgt:

    “De verplichting komt voort uit een gebod van een bevoegde autoriteit. Als een willekeurig mens mij bijvoorbeeld op de autoweg zou vertellen dat ik mijn auto tot stilstand moet brengen, dan zou ik absoluut geen enkele wettelijke verplichting hebben om dat te doen. Maar als een politieagent mij datzelfde zou opdragen, dan heb ik een wettelijke verplichting om te gehoorzamen. Het verschil tussen de twee gevallen zit in de personen die mij dit opdragen: de ene is bevoegd om dat te doen, de andere niet.”

Het morele argument – Het dilemma van Euthyphro
Plato presenteert in zijn dialoog "Euthyphro" een fictief gesprek tussen zijn filosofische mentor Socrates en iemand die Euthyphro wordt genoemd. Euthyphro legt aan Socrates uit dat hij gekomen is om zijn vader te beschuldigen van doodslag, vanwege zijn betrokkenheid bij de dood van een arbeider. Deze arbeider had zelf een slaaf gedood die eigendom was van de familie. Vervolgens werd de arbeider dood, vastgebonden en met een prop in de mond in een greppel gevonden. Dit is aanleiding tot een lang gesprek tussen Euthyphro en Socrates, wat uiteindelijk uitmondt in het befaamde “Dilemma van Euthyphro”. Socrates zegt: “Ik zal de definitie als volgt wijzigen: alles wat de goden haten is goddeloos [fout] en alles wat zij liefhebben is godvruchtig of heilig; en wat sommigen van hen liefhebben en anderen haten is noch het een, noch het ander. Zal dit onze definitie zijn van wat vroom en fout is?” Euthyphro antwoordt: “Ja, ik zou zeggen dat wat alle goden liefhebben godvruchtig en heilig is, en het tegenovergestelde, wat zij haten, fout.” Socrates wil vervolgens het volgende van hem weten: “Wat ik nu het eerst zou willen begrijpen, is of de goden de godvruchtige en heilige dingen liefhebben omdat ze heilig zijn, of dat deze dingen heilig zijn omdat de goden ze liefhebben.”

De vraag wordt dus als volgt gesteld: Is x juist omdat God dit gebiedt, of wordt x door God geboden omdat dit al de juiste optie was? Ik ga voor de eerste optie. Vaak wordt aangenomen dat de geboden van God arbitrair zijn (Hij had ons bijvoorbeeld kunnen gebieden dat we moeten liegen). Maar dat is onjuist. Theïsten stellen dat God van nature liefdevol, eerlijk, enzovoorts is, en dat Zijn geboden daarom altijd en overal in overeenstemming zullen zijn met Zijn karakter en aard. En daarom zal God altijd en overal de leugen afkeuren.

Het morele argument – De tekortkomingen van het utilitarisme
Er zijn diverse niet-theïstische ethische raamwerken, maar geen enkele daarvan kan een robuust ontologisch fundament bieden voor objectieve morele waarden en verplichtingen. Eén van deze raamwerken wordt utilitarisme genoemd en werd recentelijk populair gemaakt door het boek “The Moral Landscape” (oftewel “Het morele landschap”) van Sam Harris. In de meest algemene formulering slaat dit raamwerk op het standpunt dat ethiek bepaald wordt door datgene wat de grootste hoeveelheid geluk biedt aan het grootste aantal mensen. Een van de problemen van dit standpunt is dat het probeert om een balans te vinden tussen twee verschillende maten, die worden gebruikt om de morele deugdzaamheid van een handeling in te schatten (d.w.z. de hoeveelheid “nut” die wordt voortgebracht en het aantal mensen dat erdoor wordt getroffen). Dit kan vaak leiden tot conflicterende antwoorden. In sommige gevallen kan een bepaalde activiteit als beter worden beschouwd voor een groter aantal individuen, terwijl een andere activiteit een groter algemeen nut kan voortbrengen. Utilitaristen proberen met hun handelingen het nut van de lange duur-gevolgen van die handelingen te maximaliseren. Maar, zonder alwetend te zijn is het onmogelijk om de respectievelijke lange duur-gevolgen van verschillende activiteiten te evalueren. Het utilitarisme houdt bovendien geen rekening met de bedoelingen van het individu: activiteit X zou met oprechte bedoelingen gedaan kunnen worden door iemand die gelooft dat deze handeling de maximale hoeveelheid “nut” of geluk zal voortbrengen. Maar als activiteit X op de lange termijn niet het gewenste nut zal blijken voort te brengen, dan zou deze handeling, volgens de filosofie van het utilitarisme, moreel ondergeschikt zijn aan een activiteit die een groter nut heeft voortgebracht.

Het morele argument – Conclusie
We kunnen concluderen dat het morele argument een robuust argument is voor het bestaan van God. Het is belangrijk dat we onderscheid maken tussen morele ontologie en morele epistemologie wanneer we dit met anderen bespreken, omdat deze twee categorieën vaak door elkaar worden gehaald door atheïstische critici. Mensen zijn geschapen naar het evenbeeld van God en hebben een intuïtief besef van goed en fout. Het is verre van duidelijk hoe de atheïst (tenzij dit ten koste gaat van moreel realisme) een objectieve ethische standaard kan aanhouden zonder een wezen als God als zijn ontologische basis te aanvaarden.

Leer meer!