Het ontologische argument

Het ontologische argument
De meeste mensen zijn van mening fat het ontologische argument voor het eerst werd verwoord door Anselmus van Canterbury, die God definieerde als het hoogst denkbare wezen. De redenering van Anselmus bestond eruit dat als er een wezen is dat in de gedachten kan bestaan, maar niet in werkelijkheid, dat er dan een groter wezen denkbaar moet zijn (namelijk een wezen dat zowel in de gedachten als in de realiteit bestaat). De vermaarde zeventiende-eeuwse Franse filosoof René Descartes maakte gebruik van het ontologische argument. Het ontologische argument werd in 1960 nieuw leven ingeblazen door Norman Malcolm. Varianten van het ontologische argument zijn ondersteund en verdedigd door hedendaagse filosofen als Alvin Plantinga (die zijn argument baseerde op de modale logica) en William Lane Craig.

Het ontologische argument werd voor het eerst bekritiseerd door Gaunilo van Marmoutiers, een tijdgenoot van Anselmus van Canterbury. Hij beweerde dat het ontologische argument gebruikt zou kunnen worden om het bestaan te bewijzen van je wat maar zou willen. Hij gebruikte hiertoe de analogie van een perfect eiland. Het argument werd ook bekritiseerd door de beroemde Katholieke filosoof Thomas van Aquino, en door David Hume en Immanuel Kant.

Het ontologische argument – Mogelijke werelden
Om het ontologische argument correct te kunnen begrijpen, is het noodzakelijk om te specificeren wat filosofen bedoelen wanneer zij spreken over “mogelijke werelden”. Een “mogelijke wereld” slaat op iets wat tegen de feiten ingaat: een stand van zaken die waar had kunnen zijn. Als iets bestaat in een “mogelijke wereld”, dan betekent dat eenvoudigweg dat het bestaan ervan logisch gezien mogelijk is.

Het ontologische argument voor het bestaan van God beweert dus dat de logische mogelijkheid dat God bestaat feitelijk betekent dat Hij bestaat. Het ontologische argument begint met de bewering dat God, per definitie, oneindig groot is. Daarom kan geen enkele entiteit Gods grootheid overtreffen. Met andere woorden: God is het grootste denkbare wezen (als iemand zich een groter wezen zou kunnen voorstellen, dan zou dat God zijn). Oneindig groot zijn betekent een bestaan in elke mogelijke wereld, omdat een wezen dat slechts in enkele mogelijke werelden zou bestaan in grootheid overtroffen zou kunnen worden door een wezen dat in elke mogelijke wereld bestaat. Bovendien is een maximaal groot wezen een wezen dat de eigenschap van noodzakelijk bestaan bezit. Dus, als een wezen met maximale grootheid in een enkele mogelijke wereld bestaat, dan bestaat het in elke mogelijke wereld. En als een oneindig groot wezen in elke mogelijke wereld bestaat, dan moet dat wezen in de feitelijke wereld bestaan. Omdat God een oneindig groot wezen is, moet God dus bestaan.

Het ontologische argument - De premissen
De conclusie van het ontologische argument, zoals geformuleerd door Alvin Plantinga en anderen, is afhankelijk van het modale axioma S5 (wat stelt dat als een propositie mogelijk is, dat het dan in alle werelden mogelijk is). Dit axioma stelt verder dat, als het mogelijk is dat een propositie noodzakelijkerwijs waar is (dat wil zeggen, als het noodzakelijkerwijs waar is in enige mogelijke wereld), dat het dan noodzakelijkerwijs waar moet zijn in alle mogelijke werelden.

Deze logica van het ontologische argument wordt formeel als volgt samengevat door filosoof Alvin Plantinga:

  1. Een wezen bezit maximale uitmuntendheid in een gegeven mogelijke wereld W als en alleen dan als het almachtig, alwetend en volledig goed is in W; en
  2. Een wezen bezit maximale grootheid als het in elke mogelijke wereld maximale uitmuntendheid bezit.
  3. Het is mogelijk dat een wezen met maximale grootheid bestaat. (Premisse)
  4. Daarom is het, mogelijk, noodzakelijkerwijs waar dat een alwetend, almachtig en perfect goed wezen bestaat.
  5. Daarom is het (uit axioma S5) noodzakelijkerwijs waar dat een alwetend, almachtig en perfect goed wezen bestaat.
  6. Daarom bestaat een alwetend, almachtig en perfect goed wezen.

Het ontologische argument - Is het robuust?
Hoewel er door veel hedendaagse filosofen zware kritiek is geleverd op het ontologische argument, is een groot gedeelte van die kritiek het gevolg van een verkeerd begrip van het argument.

Het ontologische argument is in logisch opzicht duidelijk geldig, dat wil zeggen: de conclusie volgt noodzakelijkerwijs als de premissen 1 tot en met 5 waar zijn. De cruciale premisse is daarom premisse 3, namelijk dat het mogelijk is dat een wezen met maximale grootheid bestaat. Om deze premisse te kunnen weerleggen, zou iemand moeten kunnen aantonen dat het idee van een oneindig groot wezen zelf op de een of andere manier logisch onsamenhangend is – net als een “getrouwde vrijgezel” bijvoorbeeld. Omdat het er niet naar uitziet dat een dergelijk argument naar voren gebracht zal worden, volgt de noodzakelijke en onontkoombare conclusie dat “daarom een alwetend, almachtig en perfect goed wezen bestaat”.

Leer meer!